Coöperatie niet gehouden om huisarts na voorwaardelijke schorsing toe te laten tot waarnemingsdiensten

Een coöperatie van huisartsen is niet gehouden om een huisarts aan wie een voorwaardelijke tuchtmaatregel is opgelegd toe te laten tot een huisartsenpost voor avond-, nacht- en weekenddiensten (‘’’ANW-diensten’’). Het staat een huisartsenpost in principe vrij de belangen van patiënten de doorslag te laten geven in de overweging een huisarts wel of niet te accepteren. De huisartsencoöperatie heeft een ruime beoordelingsruimte bij de toelating van huisartsen.

In het najaar van 2016 heeft de Hoge Raad een interessante zaak gewezen over de beoordelingsruimte die aan een huisartsenpost in de vorm van een coöperatie toekomt bij het wel of niet toelaten van een huisarts aan wie een tuchtmaatregel is opgelegd.

Gebeurtenissen

In deze zaak gaat het om een geschil tussen de Coöperatieve Huisartsendienst Twente-Oost U.A. (“HDT-Oost”) en een niet bij naam genoemde huisarts (“de huisarts”). HDT-Oost is een  coöperatie die op twee huisartsenposten huisartsenzorg verleent in de avond, nacht en tijdens het weekend. Sinds 1 juni 2010 is de huisarts op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaam voor een huisartsenpraktijk die aangesloten is bij HDT-Oost. De overeenkomst van opdracht bepaalt dat de huisarts verplicht is om ook ANW-diensten te verlenen. Daarnaast is het verrichten van ANW-diensten op grond van het Besluit huisartsgeneeskunde een verplichting voor huisartsen voor herregistratie als huisarts in het BIG-register.

In januari 2013 heeft het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (“RTG”) de inschrijving van de huisarts doorgehaald in het BIG-register. In december 2013 werd deze beslissing vervolgens door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (“CTG”) vernietigd en werd – in plaats van doorhaling – een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving voor de duur van zes maanden bevolen, op voorwaarde dat de huisarts zich gedurende twee jaar onder psychotherapeutische behandeling zou stellen. Het CTG was van oordeel dat de huisarts verbetering had laten zien in zijn functioneren en dat hij daarom nog een kans verdiende.

Na de uitspraak van het RTG heeft HDT-Oost zich op het standpunt gesteld dat de huisarts niet langer ANW-diensten mag verlenen op de huisartsenpost. Vervolgens vroeg de huisarts na de – voor de hem gunstiger – uitspraak van het CTG aan HDT-Oost om opnieuw te worden toegelaten als waarnemend huisarts voor het verrichten van ANW-diensten. HDT-Oost bleef bij haar weigering, omdat zij het niet verantwoord vindt haar patiënten bloot te stellen aan het risico dat de huisarts weer in de fout gaat.

De procedure

De huisarts vordert in kort geding dat HDT-Oost hem als waarnemer moet accepteren. De voorzieningenrechter wijst dit af en de huisarts gaat hiertegen in beroep. Het hof is van mening dat HDT-Oost de huisarts wel had moeten accepteren als waarnemer. Volgens het hof heeft HDT-Oost een unieke positie op het gebied van waarneming in de regio Twente Oost. De huisarts woont en werkt in deze regio en toelating tot de ANW-diensten is voor hem noodzakelijk voor het behoud van zijn BIG-registratie als huisarts. Daarnaast heeft het CTG geoordeeld dat de huisarts een kans verdient om als huisarts werkzaam te zijn. Om die redenen staat het HDT-Oost niet geheel vrij de huisarts wel of niet te accepteren en moeten volgens het hof de belangen van de huisarts worden meegenomen in de afweging.

De Hoge Raad overweegt dat het hof van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan in het onderzoek naar de belangenafweging van HDT-Oost. Het hof had als uitgangspunt moeten nemen dat het een huisartsenpost in principe vrij staat de belangen van patiënten doorslag te laten geven bij de beslissing om de huisarts wel of niet als waarnemer te accepteren. Op grond van haar verantwoordelijkheid uit de destijds geldende Kwaliteitswet Zorginstellingen (“KWZ”) mag HDT-Oost zelf bepalen welke betekenis en welk gewicht de tuchtrechtelijke maatregel heeft in de overweging de huisarts wel of niet als waarnemer toe te laten. Ook oordeelt de Hoge Raad dat huisartsenposten geen unieke positie hebben. Voor het behoud van de BIG-registratie van de huisarts is hij niet gebonden aan de regio van HDT-Oost omdat er andere huisartsendienststructuren zijn waar de huisarts waarneemdiensten zou kunnen verrichten. Tot slot betekent het feit dat het CTG van oordeel was dat de huisarts nog een kans verdiende niet dat HDT-Oost hem de kans moest bieden ANW-diensten te verrichten.

Uit bovenstaande uitspraak blijkt dat voor de beslissing om een huisarts wel of niet als waarnemer te accepteren de belangen van de patiënten centraal staan. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar de destijds geldende KWZ. Inmiddels is de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (‘’Wkkgz’’) in werking getreden, die onder meer de KWZ heeft vervangen. Op grond van de vergewisplicht van art. 4 Wkkgz is een zorginstelling verplicht de geschiktheid van nieuwe zorgverleners na te gaan. Die vergewisplicht ziet dus wel op nieuwe werknemers, anders dan in deze casus aan de orde was, waar de huisarts al in dienst was geweest van deze huisartsenpost. De wijze waarop een zorgaanbieder dit doet staat hem vrij en kan onder andere via de volgende wegen:

  • navraag te doen bij eerdere werkgevers;
  • het BIG-register te raadplegen;
  • het register met tuchtrechtelijke uitspraken te raadplegen;
  • navraag doen bij de IGZ; en/of
  • een VOG op te vragen van de desbetreffende arts.

Het staat zorgaanbieders in principe vrij om zelf te bepalen of en zo ja, welke consequenties te verbinden aan tuchtrechtelijke maatregelen die aan zorgverleners zijn opgelegd.

 

Met dank aan Maartje van Lint.

 

Wilt u meer weten over de vergewisplicht of andere verplichtingen vanuit de Wkkgz? Lees dan het artikel van Esther PansWkkgz: met welke regels moet u sinds 1 januari 2016 rekeninghouden?”.

Over de auteur

  • Michèle van Lopik

    Michèle van Lopik werkt sinds 2016 als jurist bij Kennedy Van der Laan op de sectie Corporate, team Gezondheidszorg.

Comments are closed.

Cookie instellingen