Ook de bedrijfsarts kan zich beroepen op het verschoningsrecht. Dit verschoningsrecht heeft geen absoluut karakter en moet in specifieke gevallen en omstandigheden wijken voor het belang van waarheidsvinding. In dit artikel wordt een uitspraak van de Hoge Raad besproken waarin een zeer strikte handhaving van het verschoningsrecht wordt gehanteerd.
Inleiding
Op 31 januari 2025 deed de Hoge Raad een uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:162) waarbij het beroep op verschoningsrecht van een bedrijfsarts centraal stond. De werkneemster in deze zaak had de bedrijfsarts als getuige opgeroepen in een civiele procedure tegen haar werkgever. Zij stelde dat de bedrijfsarts onzorgvuldig had gehandeld tijdens haar ziekteverzuimbegeleiding, onder meer door haar aan te raden gedeeltelijk ontslag te nemen en haar zonder deugdelijk onderzoek hersteld te verklaren. De bedrijfsarts weigerde deze vragen te beantwoorden met een beroep op het verschoningsrecht. De vraag was of de bedrijfsarts zich terecht kon beroepen op zijn verschoningsrecht.
Feiten en procesverloop
De werkneemster had haar voltijds dienstverband bij haar werkgever gedeeltelijk opgezegd tijdens ziekte en bleef voor 0,4 fte werken. Later viel zij volledig uit. Haar vordering tot schadevergoeding door de werkgever werd door de kantonrechter afgewezen. In hoger beroep stelde zij dat de bedrijfsarts haar verkeerd had geadviseerd en onjuist had voorgelicht. Het Gerechtshof Den Haag gaf haar gelegenheid tot bewijslevering, waarna zij de bedrijfsarts als getuige opriep. Deze beriep zich op zijn verschoningsrecht en weigerde te antwoorden.
Het verschoningsrecht van de bedrijfsarts
Een bedrijfsarts heeft op grond van artikel 88 van de Wet BIG een geheimhoudingsplicht ten aanzien van alles wat hem in zijn hoedanigheid als arts is toevertrouwd of waarvan hij het vertrouwelijke karakter had moeten begrijpen. Daarnaast bevat artikel 7:457 BW een geheimhoudingsplicht die via de schakelbepaling van artikel 7:464 BW ook van toepassing is op andere geneeskundige handelingen dan wanneer er een geneeskundige behandelingsovereenkomst tot stand komt. Hiermee is de geheimhoudingsplicht ook van toepassing op de bijzondere relatie tussen de bedrijfsarts en de werknemer. De relatie tussen bedrijfsarts en werknemer is namelijk niet vrijwillig voor een werknemer, zij moet in het kader van ziekteverzuim en re-integratie verplicht op het spreekuur van de bedrijfsarts verschijnen. De relatie tussen een bedrijfsarts en een werknemer is daarmee geen ‘normale’ behandelrelatie. Er komt dus geen geneeskundige behandelingsovereenkomst tot stand, zoals bijvoorbeeld tussen een arts in het ziekenhuis en de patiënt.
Specifiek voor bedrijfsartsen geldt een uitzondering op hun geheimhoudingsplicht in artikel 14 lid 7 van de Arbeidsomstandighedenwet (‘Arbowet’). Deze bepaling stelt dat de geheimhoudingsplicht (uit de Wgbo, via de schakelbepaling) niet geldt voor handelingen die worden verricht in het kader van de uitvoering van de Arbowet, zoals het adviseren bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten. Dit omvat ook advisering over re-integratie.
Belangrijk is dat deze uitzondering geldt voor consulten in het kader van een verzuimspreekuur waarbij de bedrijfsarts beoordeelt of er medische beperkingen zijn voor het verrichten van arbeid. In dat kader mag de bedrijfsarts noodzakelijke gegevens aan de werkgever doorgeven, maar alleen voor zover deze gegevens beperkt blijven tot wat nodig is voor verzuimbegeleiding door de werkgever. Daarnaast mag de bedrijfsarts met toestemming van de patiënt in beginsel gegevens aan derden verstrekken, zoals ook bevestigd wordt in de KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens”.
De vraag was of de bedrijfsarts een beroep kon doen op zijn verschoningsrecht in een situatie waarin er een – in de wet vastgelegde – uitzondering op de geheimhoudingsplicht van de bedrijfsarts is.
Oordeel van het Hof
Het Hof oordeelde dat de bedrijfsarts geen verschoningsrecht toekomt ten aanzien van de in het getuigenverhoor gestelde vragen. Deze vragen hadden betrekking op verzuimcontrole zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 en lid 7 van de Arbowet waarvoor een uitzondering op de geheimhoudingsplicht geldt. Volgens het Hof was er geen geneeskundige behandelingsovereenkomst en had de werkneemster bovendien expliciet toestemming gegeven om informatie te delen. De arts mocht dus volgens het Hof geen beroep doen op het verschoningsrecht.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, en oordeelde dat het Hof artikel 14 lid 7 Arbowet te ruim had uitgelegd. Het verschoningsrecht van de bedrijfsarts is niet absoluut, maar mag slechts in uitzonderlijke omstandigheden wijken voor het belang van waarheidsvinding. Die omstandigheden waren hier niet aanwezig. De bedrijfsarts mocht zich dus wel op zijn verschoningsrecht beroepen en hoefde geen antwoord te geven op de vragen in het getuigenverhoor.
Het enkele feit dat de bedrijfsarts handelt in opdracht van de werkgever en geen normale behandelrelatie heeft, doet niet af aan het recht van de bedrijfsarts om zich te beroepen op zijn verschoningsrecht. Ook is de algemene toestemming van de werknemer onvoldoende om het beroepsgeheim op te heffen: het moet gaan om gerichte, weloverwogen toestemming voor opheffing van het beroepsgeheim in het licht van de procedure.
En nu?
Deze uitspraak bevestigt de strikte handhaving van het beroep op verschoningsrecht, ook in situaties waarin de bedrijfsarts handelt in opdracht van de werkgever en er geen geneeskundige behandelingsovereenkomst bestaat tussen werknemer en arts. Als een werkneemster in algemene zin toestemming geeft om informatie te delen, is dat ook onvoldoende om het verschoningsrecht op te heffen. De toestemming moet gericht en weloverwogen zijn.
Dit roept vragen op over de balans tussen waarheidsvinding en bescherming van vertrouwelijkheid in de context van bedrijfsgezondheidszorg. Hoewel het belang van het beroepsgeheim logischerwijs zwaar weegt, lijkt de heersende doctrine en uitleg door de rechter mogelijk te strikt in situaties waarin het handelen van de arts zelf ter discussie staat. Een meer genuanceerde benadering, waarin ook het individuele belang van de patiënt wordt meegewogen, zou in gevallen zoals onderhavige wellicht beter zijn.