Inzage van het medisch dossier door nabestaanden

Inleiding

De rechtbank Den Haag heeft op 23 oktober een uitspraak gedaan in een zaak waarin aan de orde was of een nabestaande, in dit geval de vader, recht had op een afschrift van het medisch dossier van zijn overleden zoon. Deze zoon zat in Justitieel Complex Zaanstad (JCZ) toen hij overleed. Uit de uitspraak volgt in welke gevallen een nabestaande een zwaarwegend belang heeft om een medisch dossier te kunnen inzien en in welke gevallen dit belang mogelijk wordt geschaad. Daarnaast zou inzage in of afschrift van het medisch dossier noodzakelijk moeten zijn voor de behartiging van dit belang.

Algemeen wettelijke kader

De hoofdregel is dat gegevens uit een medisch dossier van een overledene onder het medisch beroepsgeheim van de hulpverlener vallen. Dit is belangrijk om de gezondheids- en privacy rechten van patiënten te waarborgen. Een patiënt moet erop kunnen vertrouwen dat de informatie die de hulpverlener over hem of haar heeft na de dood niet toegankelijk wordt voor derden. Er zijn drie wettelijke gronden waarop een hulpverlener gehouden is (delen van) het medisch dossier te verstrekken.

  1. De overledene heeft bij leven elektronisch of schriftelijk toestemming gegeven voor het delen van de gegevens met een specifieke nabestaande.
  2. Nabestaande heeft een mededeling over een incident op grond van de Wkkgz gekregen.
  3. Nabestaande heeft een zwaarwegend belang, heeft aannemelijk gemaakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad én dat inzage of afschrift van de gegevens uit het medisch dossier noodzakelijk zijn voor de behartiging van dit belang.

Toepassing wettelijk kader in uitspraak rechter

De rechter heeft de verschillende wettelijke gronden zoals hierboven beschreven getoetst. Het oordeel van de rechter per wettelijke grond is hieronder (kort) weergegeven.

  1. Volgens de nabestaande had de huisarts al wel besloten het door hem opgestelde medisch dossier te delen met de nabestaande. Dit betekent echter nog niet dat andere betrokken artsen dit ook zonder meer kunnen doen. De inzage door een van hen ontslaat de andere hulpverleners niet uit hun wettelijke plicht tot het beroepsgeheim, aldus de rechter. Veronderstelde toestemming van overledene volgt niet uit het handelen van de huisarts en is ook geen grond voor verstrekking van inzage in of afschrift van het medisch dossier aan een nabestaande.
  2. In onderhavige casus was de nabestaande door de politie in kennis gesteld van het overlijden van zijn zoon door suïcide. Een mededeling van de politie is niet hetzelfde als een mededeling van een incident in de zin van de Wkkgz. De term incident ziet in dat verband op een gebeurtenis die betrekking heeft op de kwaliteit van de verleende zorg. Een suïcide kán een incident zijn, maar alleen als de kwaliteit van de verleende zorg hierbij in het geding is. Dit bleek niet uit de communicatie van de politie. Een dergelijke melding was ook niet door het medisch behandelteam gedaan. Een suïcide is wel altijd een calamiteit die een zorgverlener op grond van de Wkkgz moet melden bij de IGJ. Een als calamiteit gemelde suïcide bij de IGJ is echter niet altijd een incident.
  3. Resteert nog de grond voor inzage in het dossier als er sprake is van een zwaarwegend belang. Hiervan kan blijkens de wetsgeschiedenis sprake zijn bij een vermoeden van een medische fout. Zuiver emotionele belangen, zoals het belang bij inzage in een medisch dossier met het oog op rouwverwerking van een nabestaande, leveren geen zwaarwegend belang op in de zin van voormelde bepaling. De rechter oordeelde dat het gestelde vermoeden van een medische fout in dit geval onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Van belang achtte de rechter hierbij dat Calamiteitenonderzoekscommissie (CALOC) het overlijden had onderzocht en tot de conclusie was gekomen dat de kwaliteit van de verleende zorg voldeed. De IGJ had aangegeven dat het onderzoek voldeed aan de daaraan gestelde eisen. In dit onderzoek was het medisch dossier meegenomen. De IGJ had daarmee het onderzoek naar de situatie gesloten. De nabestaande had dit onderzoek ingezien en geen feiten of omstandigheden aangevoerd waardoor de juistheid van de conclusie van het CALOC en IGJ in twijfel getrokken zouden moeten worden. Daarmee was geen sprake van een vermoeden van een medische fout.

De rechter wijst verder in de uitspraak op de mogelijkheid om een onafhankelijk arts aan te wijzen die aan de hand van het medisch dossier kan beoordelen of de zorginstelling terecht geweigerd heeft afschrift van het dossier te verstrekken aan nabestaande.

Conclusie

Er bestaan een aantal gronden voor nabestaanden om het medisch dossier van een overledene in te zien of een afschrift hiervan te ontvangen. Uit de uitspraak van 23 oktober 2024 volgt dat bij toetsing van deze gronden het beroepsgeheim zwaar weegt. Daarbij komt dat er geen precedentwerking uitgaat van het verstrekken door een van de betrokken artsen, iedere hulpverlener zal voor zichzelf moeten bepalen of er een grond is voor inzage.

Een belangrijk punt dat de rechtbank aanhaalt in genoemde uitspraak is dat suïcide op zichzelf geen incident is, maar kan dit wel zijn. Dit is nog eens benadrukt in de KNMG handreiking: Inzage in medische dossiers door nabestaanden.

Tot slot lijkt het aanstellen van een onafhankelijke arts om het medisch dossier te beoordelen een goede manier om tegemoet te komen aan de nabestaande zonder het beroepsgeheim te doorbreken.

Comments are closed.