Nieuwe wetgeving omtrent werken met zelfstandigen en opheffing handhavingsmoratorium

Marieke Opdam, Eylard van Fenema en Marize Verhagen

Het aantal zzp’ers dat in de zorg werkzaam is neemt jaarlijks toe. De meest recente cijfers van het CBS tonen aan dat in 2022 178.000 zelfstandigen werkzaam waren in de sector zorg en welzijn. Vanaf 1 januari 2025 zal de Belastingdienst strenger gaan controleren op de kwalificatie van arbeidsrelaties. Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan nieuwe wetgeving, waarin duidelijker de criteria worden vastgelegd om als zzp’er werkzaam te kunnen zijn. Gezien het hoge aantal zzp’ers in de zorg, is het van belang dat werkgevers binnen de zorg op deze ontwikkelingen zijn voorbereid.

Hieronder bespreken wij de belangrijkste onderdelen van de nieuwe wetgeving en de beëindiging van het handhavingsmoratorium.

Rechtsvermoeden op basis van uurtarief

Het wetsvoorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden introduceert een rechtsvermoeden op basis van het uurtarief. Wanneer wordt gewerkt voor een bedrag van ten hoogste € 33,- per uur, is uitgangspunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De werkgever moet dan bewijzen dat hiervan géén sprake is. Hoewel het uurtarief voor met name ervaren en gespecialiseerde zelfstandige zorgverleners doorgaans hoger ligt, is het denkbaar dat het uurtarief van startende of ondersteunende zelfstandige zorgverleners wel binnen deze grens valt.

Verduidelijking van het gezagscriterium

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is een gezagsverhouding tussen de werkgever en werknemer vereist. Gezag is het criterium dat een werknemer van een zzp’er onderscheidt. Het hiervoor genoemde wetsvoorstel voorziet in een verduidelijking van dit criterium. Van gezag is sprake indien de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever (hoofdelement W) en de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht (hoofdelement Z), of de arbeid in mindere mate voor eigen rekening en risico verricht dan dat sprake is van sturing door de werkgever. Als beide factoren in evenwicht zijn, geeft een derde criterium de doorslag, te weten het ondernemerschap van de betrokken werkende (hoofdelement OP). Volgens de toelichting zal dit laatste maar in een ‘relatief beperkt aantal gevallen’ aan de orde zijn.

Het toetsingskader is in onderstaand schema verduidelijkt.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal in een nog te nemen besluit nadere indicaties opnemen voor deze hoofdelementen. Deze indicaties worden in de toelichting bij het wetsvoorstel al wel genoemd.

De volgende vijf indicaties wijzen op het werken onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing:

  1. De werkgever is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen.
  2. De werkgever heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.
  3. De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgever.
  4. De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie.
  5. Werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.

Daarnaast worden de volgende vijf indicaties genoemd die wijzen op het werken voor eigen rekening en risico (binnen de arbeidsrelatie):

  1. De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende.
  2. Bij het verrichten van de werkzaamheden is de werkende zelf verantwoordelijk voor gereedschap, hulpmiddelen en materialen.
  3. De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de werkgever niet structureel aanwezig is.
  4. De werkende treedt tijdens de werkzaamheden zelfstandig naar buiten.
  5. Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week.

Alleen wanneer ‘sturing door de werkgever’ en ‘werken voor eigen rekening en risico’ in gelijke mate aanwezig zijn, worden indicaties die wijzen op ondernemerschap van de werkende buiten de arbeidsrelatie (voor soortgelijke werkzaamheden) bij de kwalificatie betrokken:

  • De werkende heeft meerdere opdrachtgevers per jaar.
  • De werkende besteedt tijd en/of geld aan het verwerven van een reputatie en het vinden van nieuwe klanten of opdrachtgevers.
  • De werkende heeft bedrijfsinvesteringen van enige omvang.
  • De werkende gedraagt zich administratief als zelfstandig ondernemer.

Inwerkingtreding en handhaving

Het wetsvoorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. In een recente brief aan de Tweede Kamer heeft minister Van Hijum laten weten dat de nieuwe wetgeving naar verwachting per 1 januari 2026 in werking zal treden. In deze brief wordt ook vermeld dat het huidige handhavingsmoratorium daadwerkelijk per 1 januari 2025 zal eindigen. De modelovereenkomsten zullen daarbij worden uitgefaseerd. Wel heeft de Belastingdienst recent toegezegd om organisaties die aantoonbaar bezig zijn om schijnzelfstandigheid aan te pakken, het eerste jaar niet te beboeten (ook al maakt de organisatie in dat jaar nog wel gebruik van de inzet van schijnzelfstandigen).

Fiscaal Kompas Zorg

De brancheorganisaties in de zorg hebben, vooruitlopend op de opheffing van het handhavingsmoratorium, gezamenlijk een Fiscaal Kompas ZZP opgesteld. Het Fiscaal Kompas bevat een nadere toelichting op relevante wet- en regelgeving en biedt richtlijnen en handvatten voor het opzetten van een beoordelingskader met betrekking tot de inhuur van zzp’ers in de zorg. De inhoud van het Fiscaal Kompas is zelfstandig tot stand gekomen en niet afgestemd met de Belastingdienst.

Tot slot

De nieuwe wetgeving strekt ertoe de bestaande regels en jurisprudentie (zoals het Deliveroo-arrest) samen te vatten en te structureren om tot een hanteerbaar toetsingskader te komen. Met andere woorden, de wet moet aansluiten bij de wijze waarop nu al getoetst wordt of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Er zijn echter wel wijzigingen ten opzichte van de huidige praktijk. Een rechter zal zich straks bij de toetsing moeten baseren op vooraf door de wetgever bepaalde indicaties. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen andere indicaties bij de beoordeling worden betrokken. Daarmee heeft een rechter minder vrijheid. Daarnaast zal het aspect van ‘ondernemerschap van de persoon’ pas een rol spelen als de twee hoofdelementen in balans zijn. Hierdoor kan het zijn dat er sneller een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen dan op dit moment het geval is.

Wilt u weten of een werkende binnen uw zorgorganisatie moet worden aangemerkt als werknemer of zzp’er? Of wat u kunt doen om de risico’s te beperken? Neem dan contact met ons op.

Comments are closed.