Hoge Raad: ondernemerschap is relevant bij kwalificatie van de arbeidsrelatie

Op 21 februari 2025 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de criteria om te bepalen of een arbeidsovereenkomst bestaat. De Hoge Raad verduidelijkt in het arrest in hoeverre het ‘ondernemerschap’ van de werkende hierbij een rol speelt.

Achtergrond

Vakbond FNV en Uber twisten al langere tijd over de vraag of de taxichauffeurs van Uber – die op basis van een opdrachtovereenkomst werkzaam zijn – als zzp’er of als werknemer moeten worden aangemerkt (zgn. ‘schijnzelfstandigen’). FNV spreekt in deze procedure Uber in dat kader aan op naleving van de CAO Taxivervoer. 

Procesverloop

In 2021 oordeelde de rechtbank Amsterdam dat de chauffeurs van Uber werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst en Uber dus de cao moet naleven. In de procedure in hoger beroep die hierna volgde stelde het gerechtshof Amsterdam prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de rol van het gezichtspunt ‘ondernemerschap’ bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. Die vragen zijn afgelopen vrijdag door de Hoge Raad beantwoord.

Kwalificatie van de overeenkomst: juridisch kader

De Hoge Raad overwoog eerder in het Deliveroo-arrest dat het afhangt van alle omstandigheden van het geval of een overeenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van opdracht of als arbeidsovereenkomst. Tot die omstandigheden behoort volgens de Hoge Raad ook of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Andere omstandigheden die een rol spelen zijn bijvoorbeeld de aard en duur van de werkzaamheden, de inbedding van het werk in de organisatie van de opdrachtgever en de vraag of de werkende een commercieel risico loopt. 

In het arrest van afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad het gezichtspunt ‘ondernemerschap’ verduidelijkt. Het hof had de Hoge Raad onder meer gevraagd of bij de beoordeling van het ondernemerschap alleen gekeken moet worden naar de specifieke relatie tussen de werkende en de opdrachtgever (intern ondernemerschap) of dat ook omstandigheden die betrekking hebben op de situatie van de werkende buiten deze relatie meegewogen moeten worden (extern ondernemerschap). Bij dit laatste valt te denken aan het aantal opdrachtgevers van de werkende, of deze een registratie heeft in het register van de KvK, investeringen doet ten behoeve van zijn eigen bedrijf, over een eigen website beschikt, etc.

Hoge Raad: bij ‘ondernemerschap’ zijn ook aspecten buiten de arbeidsrelatie van belang

De Hoge Raad overweegt in de eerste plaats dat aan het ‘ondernemerschap’ geen ander gewicht toekomt dan aan de andere omstandigheden die in het Deliveroo-arrest worden genoemd. Tussen deze omstandigheden bestaat geen rangorde. Volgens de Hoge Raad valt niet uit te sluiten dat het voor de kwalificatie van de overeenkomst verschil maakt of het ondernemerschap van de werkende in aanmerking wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat het per werkende kan verschillen of sprake is van een arbeidsovereenkomst, ook al doet deze hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever. Voor de beoordeling van het ondernemerschap zijn volgens de Hoge Raad verder ook omstandigheden relevant die zich buiten de te beoordelen arbeidsrelatie voordoen. 

De Hoge Raad laat zich niet alleen uit over het kwalificatievraagstuk maar oordeelt ook over een meer technisch aspect van de vordering van FNV. Een algemeen oordeel over de kwalificatie van overeenkomsten van werkenden met dezelfde opdrachtgever/werkgever kan plaatsvinden in het kader van een vordering van een vakbond op basis van de Wet op het algemeen verbindend en het overbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV), aldus de Hoge Raad. Een procedure op grond van een collectieve actie is daarom niet vereist. 

Nieuwe wetgeving in voorbereiding

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een rangorde in de omstandigheden die een rol spelen bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie, maar signaleert ook dat dat op dit terrein nieuwe wetgeving in voorbereiding is (de Wet VBAR). Op grond van dat wetsvoorstel zouden de indicaties die wijzen op ondernemerschap buiten de arbeidsrelatie alleen bij de kwalificatie betrokken moeten worden wanneer de andere omstandigheden geen doorslag geven. Het is afwachten of de wetgever het voorstel naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad zal aanpassen. 

Voor de praktijk

  • Bij de kwalificatie van een overeenkomst is geen sprake van een rangorde tussen de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest of overige omstandigheden. Of de werkende zich als ondernemer gedraagt weegt dus in principe net zo zwaar mee als andere factoren.
  • Bij de beoordeling van het ondernemerschap moeten ook aspecten worden betrokken die zich afspelen buiten de desbetreffende arbeidsrelatie (extern ondernemerschap). Bijvoorbeeld of de werkende meerdere opdrachtgevers heeft, of deze over een registratie in de KvK beschikt, een eigen website heeft, investeringen in zijn bedrijf doet, etc.
  • Er is een wetsvoorstel ingediend op basis waarvan het ‘extern’ ondernemerschap een minder zware rol speelt. Maar dit wetsvoorstel moet nog worden behandeld in de Tweede en Eerste Kamer. Tot dit voorstel is aangenomen, heeft te gelden dat het ondernemerschap van de werkende een factor van belang is bij de beoordeling van de arbeidsrelatie.

Dit artikel is geschreven door Marieke Opdam en Eylard van Fenema van de sectie Arbeidsrecht van Kennedy Van der Laan.

Comments are closed.