Sta hulp bij zelfdoding niet toe aan leken

Dit artikel is als opiniestuk verschenen in de Volkskrant van 19 mei 2015.

Als een familielid hulp bij zelfdoding mag verlenen, riskeer je een gebrek aan deskundigheid en distantie.

Sympathiek, dat wel, de uitspraak in hoger beroep in de zaak-Heringa, maar ook onhoudbaar. Toestaan dat leken hulp bij zelfdoding verlenen aan een naaste met een doodswens is spelen met vuur. De belangen die met het overlijden van een persoon zijn gemoeid – zowel maatschappelijk, emotioneel als financieel – rechtvaardigen een strikte, zorgvuldige en controleerbare regeling van hulp bij zelfdoding.

Riskante uitspraak

Die regeling ís er: de ‘euthanasiewet’, ofwel: Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl). Deze uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden miskent de inhoudelijke en procedurele waarborgen die de Wtl biedt en waarover dertig jaar is nagedacht door artsen, ethici, juristen en politici.

De zaak ging om een hoogbejaarde, welbespraakte dame van 99 jaar. Zij wilde niet langer leven op grond van, kort gezegd, diverse ouderdomskwalen en een ‘klaar met leven-gevoel’. Haar huisarts was terughoudend en wilde de doodswens van haar patiënte eerst verder exploreren, maar uitte dus geen keihard nee. De legale route was daarmee niet uitgesloten. Albert Heringa heeft zijn (stief-)moeder vervolgens, op haar verzoek, pillen ter beschikking gesteld die hij nog thuis had liggen en heeft haar geholpen hiermee haar leven te beëindigen. Over de door Heringa verleende hulp bij zelfdoding is een indringende documentaire gemaakt: De laatste wens van Moek / Een zelf geregisseerde dood. In eerste aanleg werd Heringa veroordeeld voor hulp bij zelfdoding (art. 294 Wetboek van Strafrecht) zonder oplegging van straf, in hoger beroep werd hij op 13 mei 2015 ontslagen van rechtsvervolging omdat het hof zijn beroep op noodtoestand honoreerde.

Het hof heeft hiermee een riskante uitspraak gedaan die de waarborgen van de euthanasiewet ondermijnt.

Zorgvuldigheid

Alle zorgvuldigheidseisen die de Wtl voorschrijft gaan uit van toetsing door een arts: de beoordeling van het lijden, de beoordeling van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van de doodswens, de voorlichting aan de patiënt van diens situatie en de medisch-zorgvuldige uitvoering van de levensbeëindiging. Daar zijn goede redenen voor: het zijn terreinen waar een arts verstand van heeft en waarop in de loop van de afgelopen dertig jaar grote expertise is opgebouwd.

Verder eist de Wtl dat een ‘second opinion’ plaatsvindt door een tweede, onafhankelijke arts (de consulent). Het komt de zorgvuldigheid van de beslissing ten goede dat er nog een arts meedenkt over de vraag of levensbeëindiging de juiste weg is, waarbij die consulent vaak beschikt over gespecialiseerde kennis over het levenseinde (SCEN-arts is).

Belangen

Door goed te keuren dat een leek, die ook nog familie is van de hulpvraagster, al deze taken op zich neemt, ontstaat een wezenlijk risico. Een risico op – in het beste geval – medische ondeskundigheid en een gebrek aan (professionele) distantie.

In het ergste geval komt daar nog bij dat de belangen van de hulpvrager en hulpgever niet parallel lopen (zoals: de emotionele belasting van de zorg niet meer aankunnen) of zelfs dat sprake is van kwade trouw (zoals: de erfenis). Hoewel alles erop wijst dat Heringa te goeder trouw heeft gehandeld, heeft een zorgvuldige toetsing van de situatie en de doodswens van Moek zoals de Wtl die eist hier nooit plaatsgevonden. En, wat fundamenteler is: een rechterlijke uitspraak staat nooit op zichzelf.

Daarna volgen er meer, ieder met zijn eigen familieomstandigheden, verhoudingen en belangen. Zo begeven wij ons op het hellende vlak waar wij verre van moeten blijven. Benut de mogelijkheden van de wet; die zijn er voldoende.

Esther Pans is in 2006 gepromoveerd op de euthanasiewet aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Luister ook naar het interview met Esther Pans  op Radio 1, 23 mei 2015  

Sta hulp door leken bij zelfdoding niet toe!

Comments are closed.