Voorstel bewindslieden VWS voor goed bestuur in de zorg biedt slechts schijnzekerheid

Goed bestuur komt alleen op hoger plan als incidenten besproken worden en er lering uit wordt getrokken.

Anderhalve week na publicatie van het rapport ‘Een lastig gesprek’ van de Commissie behoorlijk bestuur kondigden minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn van Volksgezondheid, Welzijn en Sport maatregelen aan die de professionalisering van de governance binnen zorginstellingen moeten stimuleren en incidenten moeten tegengaan. Het is zeer de vraag of dat met deze maatregelen gaat lukken.

Zo schenken de bewindslieden helaas geen aandacht aan de conclusie van de Commissie Halsema dat incidenten niet alleen aan onbehoorlijk gedrag van bestuurders te wijten zijn maar ook aan ‘weeffouten’ in het semipubliekrechtelijke systeem. De — vaak perverse — prikkels die daarvan het gevolg zijn, dienen de nodige aandacht te krijgen, zodat het gesprek over de maatschappelijke taak en de eigen rol en verantwoordelijkheid herleeft.

Verder gaan zij voorbij aan de terechte aanbeveling van de Commissie Halsema dat het opstellen van meer regels niet helpt om het gewenste gedrag van bestuurders en toezichthouders te stimuleren. Regels hebben immers de nare bijkomstigheid dat het morele kompas niet verder wordt ontwikkeld, omdat de regels als maatstaf worden gebruikt.

Een ander neveneffect van regels is dat, waar ze bedoeld zijn als bodem c.q. als moreel minimum, ze in de praktijk vaak verworden tot plafond, tot het morele maximum. Waarom zou je meer doen dan de regels van je vragen?

Een deel van de aangekondigde maatregelen is bovendien overbodig omdat in de wet of in de Zorgbrede Governance Code al afdoende regels zijn opgenomen. Neem bijvoorbeeld het voorstel dat de raad van toezicht nauwer betrokken moet zijn bij besluiten van het bestuur die van grote invloed op de zorginstelling kunnen zijn. De Zorgbrede Governance Code voorziet al in een lijst met ingrijpende besluiten van de raad van bestuur die vooraf ter goedkeuring aan de raad van toezicht moet worden voorgelegd.

Aangezien de minister in haar brief concludeert dat het overgrote merendeel van de zorginstellingen deze Code naleeft, zou je verwachten dat zij in haar brief uitlegt waarom deze zelfregulering in wetgeving moet worden omgezet. Dat doet de minister echter niet.
Ook het voorstel dat elke kandidaat-bestuurder bij zijn of haar aantreden een verklaring omtrent het gedrag (VOG) moet overleggen, kan het gewenste gedrag niet garanderen. Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat het gedrag van een (rechts)persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. Hierbij wordt alleen gekeken naar strafrechtelijke veroordelingen. Onbehoorlijke gedrag, of niet adequaat handelen wordt niet in de screening meegenomen. Je vraagt je af wat de waarde van een VOG is, wanneer een bestuurder die bij de ene zorginstelling is vertrokken na een vernietigend rapport over diens functioneren, vrijwel direct bij een andere zorginstelling weer wordt aangenomen. Ligt de oplossing niet in een veel kritischer houding van de raad van toezicht omtrent de achtergrond van kandidaat-bestuurders in plaats van in de VOG? Een VOG geeft juist schijnzekerheid.

De reactie van de bewindslieden biedt geen enkele garantie dat de door de Commissie Halsema vastgestelde weeffouten worden aangepakt. De maatregelen leiden er niet toe dat een bestuurder de juiste keuzes zal maken of dat een toezichthouder zich daadwerkelijk zal verantwoorden ten opzichte van stakeholders. Ook laten ‘lastige gesprekken’ zich niet door regels stimuleren.

Waar het om gaat is dat toezichthouders de bestuurders inhoudelijk kritisch durven te bevragen. En dat beter gebruik wordt gemaakt van de expertise van de raad van toezicht. Maar vooral dat bestuurders en toezichthouders feedback krijgen en vragen ten aanzien van de wijze waarop zij hun eigen rol beter kunnen invullen. Het belangrijkste is misschien wel, zoals ook de Commissie Halsema stelt, het accepteren van fouten. Goed bestuur kan alleen op een hoger plan komen, wanneer de sfeer zodanig open is dat incidenten besproken kunnen worden, en er lering uit kan worden getrokken.

Auteurs:

Puck Dinjens, bestuursadviseur bij GITP
Fenna van Dijk, advocaat bij Kennedy Van der Laan


Dit artikel verscheen als opiniestuk ook op pagina 11 in het Financieele Dagblad van 1 oktober 2013.

Comments are closed.